Zonnepanelen nog altijd vooral op daken van hogere inkomens
Bijna de helft van alle Nederlandse zonnepanelen liggen op de daken van mensen met een bovengemiddeld inkomen. Het Centraal Planbureau (CPB) bracht de verdeling van zonnepanelen in kaart. In 2024, het laatst gemeten jaar, telde Nederland meer dan 3 miljoen huishoudens met panelen op het dak.
Van al deze huishoudens behoort 40 procent tot de groepen met het hoogste besteedbare inkomen en het hoogste beschikbare vermogen. In vijf jaar tijd is deze verhouding nauwelijks veranderd. Ondanks de vaart die de energietransitie heeft genomen, is er dus nog geen sprake van een inhaalslag onder de laagste inkomens. De onderste 40 procent van de inkomensgroepen is goed voor slechts een vijfde van alle installaties.
In absolute aantallen is het aantal zonnepanelen sinds 2021 wel fors toegenomen. In 2024 lag op meer dan de helft van alle koopwoningen een zonnepaneleninstallatie, terwijl dat in 2021 nog geen 30 procent was. Lagere inkomens konden door investeringen van de woningcorporaties ook deels profiteren van verduurzaming, al ligt dit percentage nog altijd aanzienlijk lager. Private huurwoningen werden ook vaker voorzien van zonnepanelen, maar inmiddels is slechts iets meer dan tien procent van deze woningen voorzien van panelen.
Ook tussen de verschillende regio’s zijn grote verschillen te zien in de adoptie van zonnepanelen. In de gebieden buiten de Randstad is in veel regio’s meer dan de helft van alle eengezinswoningen voorzien van een zonnepanelen, terwijl dit aandeel in de stedelijke gebieden rond de 40 procent ligt. Volgens het CPB weegt inkomensongelijkheid tussen grote steden en andere plaatsen. Inwoners van stedelijke gebieden hebben vaker een laag inkomen. In de steden is daarnaast relatief veel private huur, waar in de regel sowieso minder zonnepanelen worden geplaatst.