Box 3

Alle bezittingen zoals spaartegoeden, beleggingen en onroerend goed (dat niet dient als hoofdwoning) en schulden zoals consumptieve leningen en een hypotheek op een tweede woning vallen in box 3. De fiscus belast niet de werkelijke opbrengst, maar een percentage van de waarde van de grondslag sparen en beleggen.

Je betaalt belasting over de inkomsten uit een deel van het vermogen: de zogenoemde grondslag sparen en beleggen (box 3). Dat is de waarde van je bezittingen, min je schulden op 1 januari van dat jaar, min het heffingsvrij vermogen.

Het bezit van vermogen wordt belast met inkomstenbelasting in Box 3. De achterliggende gedachte hierbij is dat een vermogen ook zelfstandig voor een inkomen kan zorgen. Voorbeelden zijn rente-inkomsten of dividendinkomen uit beleggingen. Niet het vermogen zelf, maar de inkomsten hieruit worden in box 3 belast.

In box 3 wordt onderstaand vermogen belast:

  • aandelen en obligaties
  • onroerende zaken die niet in box 1 vallen
  • een tweede woning, niet de eigen woning die als hoofdverblijf geldt.
  • spaartegoeden
  • kapitaal en lijfrenteverzekeringen die niet tot box 1 behoren.

De waarde van het vermogen wordt bepaald door de stand per 1 januari van het betreffende belastingjaar te nemen.

Vanaf 2017 is de berekening van de belasting die je betaalt over de grondslag sparen en beleggen veranderd. Er zijn dan drie schijven. De belastingdienst gaat ervan uit dat het voordeel groter wordt naarmate je grondslag sparen en beleggen hoger is. Bij iedere volgende schijf wordt daarom een hoger percentage gebruikt om het voordeel te berekenen. Over dit voordeel betaal je 30% inkomstenbelasting.

Schulden aftrekbaar in box 3

Heb je schulden die niet aftrekbaar zijn als eigen woningschuld, dan mag je deze schulden aftrekken van het belaste vermogen. Hou hierbij rekening met een drempel van € 3.100,- . Dit betekent dat schulden die boven deze drempel uitkomen mogen worden verrekend met het vermogen.

Je kan onder andere de onderstaande schulden aangeven in box 3:

  • schulden voor consumptiedoeleinden, zoals een auto of een vakantie
  • negatief saldo op een bankrekening
  • schulden voor de financiering van de tweede woning of andere onroerende zaken
  • (hypotheek)schulden die u niet in Box 1 mag aftrekken, omdat de schuld niet tot de  eigenwoningschuld hoort
  • schulden volgens de Wet studiefinanciering
  • bedrag van persoonsgebonden budget dat je moet terugbetalen
  • erfbelasting

Vermeld alleen de schulden die in box 3 vallen.

In 2019 gelden de volgende vier schijven in box 3:

  • Schijf 0: Voor de eerste € 30.360 geldt een vrijstelling: daarover hoeft geen vermogensbelasting betaald te worden.
  • Schijf 1: € 30.360 tot en met 71.650 euro
  • Schijf 2: van 71.651 euro tot en met 989.736 euro
  • Schijf 3: vanaf 989.736 euro

Daarnaast zijn er twee percentages waarmee de belastingdienst je voordeel berekent: 0,13% en 5,6%. In de eerste twee schijven wordt dit voordeel als volgt berekend:

Een deel van je vermogen wordt belast met het percentage van 0,13% en een deel met het percentage van 5,6%. Hoe hoger jouw vermogen hoe meer wordt belast met het percentage van 5,6%.

In de tabel hieronder zie je hoe de belastingdienst je grondslag sparen en beleggen in 2019 gaat berekenen.

Berekening voordeel uit vermogen in 2019

Schijf Jouw (deel van de) 
grondslag 
sparen 
en beleggen
Percentage 0,13% Percentage 5,6% Heffing
0 t/m € 30.360     vrijgesteld
1 € 30.360 t/m € 71.650 67% 33% 1,94%
2 € 701.650 - € 989.736 21% 79% 4,45%
3 Vanaf € 989.736 0% 100% 5,6%

 

 Rekenvoorbeeld

Je bezit het volgende vermogen:

  Waarde op 1/1
Aandelen € 50.000
Spaargeld € 25.000  +
Totaal € 75.000
   

Bezittingen  

   € 75.000
Schulden    € 9.000 -
Drempel  

€ 3.100 +

Totaal   € 62.900 
Heffingsvrije vermogen   € 30.360 -
Belastbaar   € 32.540

 

Het fictieve rendement over jouw belastbare vermogen wordt in 2019 als volgt bepaald:
€ 32.540 x 1,94% = € 631. Hierover betaal je 30 procent belasting. Jouw vermogensrendementsheffing in box 3 is 30% van € 631 = € 189.